10de Biënnale van de schilderkunst springt “uit het kader”

Nog tot 18 oktober 2026 kan je in drie musea in de Leiestreek terecht voor de 10de editie van de Biënnale van de Schilderkunst: het Roger Raveel Museum in Machelen, Mudel in Deinze en Dhondt-Dhaenens in Deurle. De curatoren verzamelden 48 kunstenaars die met nieuwe werken en in situ-installaties gekoppeld worden aan werken van de respectievelijke collecties.

De algemene insteek van deze editie is meer dan ooit: schilderkunst kan ongelooflijk veel vormen aannemen of m.a.w. “hoe kan de definitie van schilderkunst worden uitgebreid voorbij het westerse en moderne begrip van schilderkunst op doek?”.

Er zijn kunstenaars die vertrekken vanuit de ruimte, anderen vanuit taal en nog anderen vanuit materiaal. Het zorgt bijgevolg voor een diverse beeldtaal die zich uit in grafiek, sculptuur, keramiek, textiel, installatie- en conceptuele kunst en … schilderkunst. Bij de opstart van deze editie in 2024 werd de geselecteerde kunstenaars gevraagd om met actuele invalshoeken een brug te slaan met werken uit de vaste collectie van de drie musea. Daarbij gaat veel aandacht naar jonge kunstenaars en vrouwelijke kunstenaars.

Eén kunstenaar komt terug in de drie musea: Roger Raveel (1921-2013). Niet toevallig de artiest die ervoor bekend staat om de schilderkunst “uit het kader” te hebben gehaald.

1ste halte: Roger Raveel Museum

We kunnen niet alle werken van deze Biënnale bespreken. We beperken ons tot een persoonlijke selectie die ons is opgevallen. We beginnen onze tocht in het Roger Raveel Museum in Machelen-Zulte waar curator Melanie Deboutte 15 kunstenaars selecteerde en ons bij binnenkomst meteen een kenmerkend werk van Raveel laat zien: de met gaas afgespannen kooi van een duif die op het schilderij is geplaatst of schilderkunst die ook buiten het canvas treedt. Raveel blijft actueel, verfrissend en nooit gedateerd.

AMVD (Anne-Mie Van Kerckhoven, °1951) krijgt een volledige zaal met oud en nieuw werk (zoals haar paravent). Ze toont ondermeer een groot wallpaperproject met beelden uit verschillende media en technieken die de rol van de vrouw centraal stelt. Ze linkt haar werken en opstelling aan een werk van Suzanne Bomhals die haar eigen schildersatelier schilderde. Een mooie combi en voor het publiek gelijk ook een ontdekking van de relatief onbekende Bomhals (werk uit de Mudel-collectie).

Het “Zelfportret” in grijstinten van Richard Artschwager (°1923) , gemaakt met houtskool en acrylverf op een isolatieplaat trekt de aandacht vanwege het bijzonder effect. Op afstand kan je zijn/een gezicht ontwaren.

Ook de Ierse Orla Barry (°1969) pakt uit met een wallpaper waaraan een heus verhaal vasthangt. Olla Barry woont in het Ierse dorp Duncormick waar ze schapen kweekt. Het viel haar meteen op dat haar dorp sterk gelijkt op het Machelen van Raveel. Ze gaf haar werk de titel ‘The village’ en vertrok daarvoor vanuit een tekening van Raveel met zijn typische paaltjes en betonnen muren. In kalligrafisch schrift brengt ze her en der in het muraal werk verhalen aan die deels verzonnen zijn en deels echt gebeurd. Spoiler: dat van het schaap dat ontsnapt en in een venster haar spiegelbeeld zag en vervolgens dwars doorheen de ruit liep klinkt gefantaseerd maar is echt gebeurd. Een mooie samensmelting van twee verhalen. Voor de dierenliefhebbers: de ram maakt het ondertussen zeer goed.

Sietske Van Aerde (°1992) toont video-opnames waarin ze acteurs schilderijen laat uitbeelden (van o.m. Léon Spilliaert). Dat zorgt voor een bijzondere enscènering en visuele ervaring voor de bezoeker.

2de halte: Mudel Museum

De volgende halte is het MUDEL in Deinze waar curator Wim Lammertijn 17 kunstenaars voor het voetlicht brengt waaronder enkele “ontdekkingen”. Misschien wel het museum met de meest “toegankelijke” werken. Ligt de verklaring hiervoor in het feit dat men het accent legt op werken met een sterk figuratieve inslag en het daardoor bij het publiek herkenbaar(der)/vertrouwd(er) overkomt?

Ook hier zien we verschillende technieken opduiken. Het parcours start met een werk van houtsnijder/beeldhouwer Jozef Cantré (1890-1957). Hij ontmoette de Latemse expressionisten Gustave De Smet en Frits Van den Berghe in Nederland. Zij waren België ontvlucht op het einde van de eerste wereldoorlog. Hij leerde hen de kunst van het graveren (hout- en linosnijden). Deze werken gelden als voorbeeld van artiesten die andere media kozen/uitprobeerden zonder hun oorspronkelijke beeldtaal te verliezen. Meer nog: het voegt een dimensie toe.

William Ludwig Lutgens (°1991) die vorig jaar met een groot werk te zien was in de overzichtstentoonstelling ’25 jaar schilderkunst’ in het SMAK, timmert aan zijn weg en pakt uit met verschillende groteske en karikaturale werken en verschillende technieken, gaande van papier maché tot schilderkunst en stalen platen. De “Guillotine” bv. maakte hij met kledij van een overleden familielid.

We zien ‘Tabernakel’, een nooit eerder vertoond werk van Roger Raveel dat curator Wim Lammertijn opduikte uit het depot van het Roger Raveel Museum (waar hij vroeger nog stafmedewerker was). Bij een eerste aanblik denkt men niet meteen aan Raveel omdat het eerder op een uitvergrote Kamagurkiaanse cartoon lijkt.

De in Brugge opgegroeide maar nadien naar Amerika uitgeweken Mae Dessauvage vertrekt vanuit architectuur als vorm voor een soort 3D-schilderijen waarop de afgebeelde figuren geïnspireerd zijn op enerzijds de (doorgaans erg) agressieve Japanse Manga-strips en anderzijds middeleeuwse fresco- figuren. Zij ziet schilderkunst als een ruimtelijk object. Haar nochtans erg fragiel geschilderde figuren verwijzen naar verhalen over gender, identiteit en mentaal welzijn.

Kasper Bosmans (°1990) die werkt rond het thema ‘transformatie’ toont grote stukken (wand)textiel (in Jacquard) met figuratieve elementen waaronder een ezel en een schildpad, geïnspireerd op een verhaal van Jozef Huysmans.

En er zijn artiesten die je zonder meer een ontdekking kunt noemen zoals Sebastian Kulbaka (°1985), een Poolse kunstenaar die opgroeide in Italië maar de liefde volgde en zo in Gent is terechtgekomen. Hij maakt grote bijzonder kleurrijke werken in een combinatie van tekenen, vloeibare was en wol. Hij beeldt “Monsters of Threshold” uit, demonen die deel uitmaken van zijn emotioneel verwerkingsproces. Heftige maar zeer expressieve en tot de verbeelding sprekende beeldtaal.

Ook de Braziliaanse Ellen Braga (°1984), die uit de Bible-belt in Amerika komt, spreekt tot de verbeelding met haar grote wandtapijten (met daarin verrassende (gezien haar Bible-belt afkomst) verwijzingen naar Breugel en Ensor) en “Bob”, de grote poes met flikkerende ogen op een groot vloertapijt. Verrassend want zoiets verwacht je niet meteen.

De immense installatie van Abigail Tubis (°1992) met 13 opgehangen schilderijen springt in het oog. Die zijn verbonden met draadjes naar teksten van een verhaal dat aan de muur hangt.

Het werk van de wereldbekende Belgische graffiti/streetart-kunstenaar ROA (°1976) hangt voor eeuwig en altijd aan de buitenmuur van het museum. De stad Deinze kocht het werk aan. In deze ‘Nature morte’ zien we de opportunistische kauw, de vissende reiger, de snoekbaars die jaagt of bejaagd wordt en een konijn. Op die manier wil hij de (kwetsbare) rol belichten die ze hebben in het complexe eco-systeem en de maatschappij waarin ze voorkomen.

3de halte: Museum Dhondt-Dhaenens

In het Museum Dhondt-Dhaenens brengt curator Anne Pontégnie 21 kunstenaars bijeen waaronder veel (zowel oudere als jonge) vrouwelijke kunstenaars en ook hier heel wat kunstenaars met textiele werken (o.w. Hana Miletic, Rosemarie Trockel, Erick N. Mack, Fernando Marques Penteado).

Hier wordt de insteek naar de “definitie van schilderkunst” nog nadrukkelijker in beeld gebracht doordat verschillende kunstenaars diverse materialen gebruiken om hun “schilderkunst” vorm te geven. Met een logische opstelling en mooie verspreiding over de verschillende zalen. Deze ruimtelijke beleving komt de werken en de kijkervaring ten goede.

De meest figuratieve blikvanger vinden we meteen terug in de eerste zaal met het vijfluik van Lubaina Himid (°1954), bestaande uit vijf gerecupereerde deuren waarop ze kleurrijk uitgedoste vrouwen schilderde die op Zanzibar een belangrijke functie spelen in het dorps- en familieleven: “Vrouwen die aan huis kwamen, aanwezig waren op bruiloften en markten en over alles hun raad en mening gaven”. Naast haar werk staan (niet geheel toevallig) twee bekende karren van Roger Raveel: de “spiegelkar” en de kleerkast op wielen. Alsof de curator wilde aangeven dat we nog een laatste keer mogen genieten van het figuratieve vooraleer de bezoeker de overgang meemaakt naar andere vormen en materialen.

Zoals Julien Creuzet (°1986) die put uit zijn Caraïbische voorouderlijke tradities. Hij maakte drie opgehangen “mobiles” met felgekleurd garen die als een soort van zwevende (strandjutterachtige) schilderijen in de ruimte hangen. In dezelfde zaal gekoppeld aan de beschilderde gamelas (houten schalen) waarmee de Brazilaanse Patricia Leite (°1955) eer betoont aan inheemse culturen uit de Amazone.

Carla Accardi (°1924 +2014) werkte op Sicofoil, een transparante industriële kunststof ter vervanging van het traditionele canvas. Qua vorm en kleurgebruik doen haar vierluiken denken aan Andy Warhol.

De Zuid-Afrikaanse kunstenaar Igshaan Adams (°1982) verzamelde wegwerpmaterialen uit de wijken van Kaapstad en verwerkt ondermeer kralen, linten, stenen en stukken stof tot een bijzondere compositie dat hij koppelt aan een “hangende wolk”-sculptuur. Spannend is de ervaring om het kunstwerk eerst vanaf afstand en vervolgens de “texturen” in detail te bekijken.

Eenzelfde ervaring krijg je bij Rosemarie Trockel (°1952). Zij valt terug op haar dada: breien. Vanaf afstand lijkt haar groot kader een erg donker, bijna zwart beschilderd canvas dat doet denken aan het iconische werk van Kazimir Malevich. Echter, als je van dichtbij kijkt zie je dat het vlak is gevuld met rijen strak breiwerk. Geen zwart maar donkerblauw garen (zie foto).

Parisienne Carlotta Bailly-Borg (°1984) toont rond de patio in de centrale zaal gezandstraalde glaspanelen waarop ze menselijke lichamen laat zien in vreemde onnatuurlijke houdingen. Daarover zegt de kunstenares dat ze haar “onbewust doen denken aan tekeningen die mijn vader maakte van de opgehangen lichamen van de Italiaanse dictator Mussolini en zijn minnares”.

Ook de Braziliaan maar in Brussel wonende en werkende Fernando Marques Penteado (°1955) werkt met diverse materialen. Hij toont twee werken die bestaan uit lange smalle “repen” gordijnen waarop hij heel secuur een tafereel borduurde, ondermeer een rijkelijk gevulde maaltijd op tafel. Waarmee we toch terug een beetje bij het figuratieve belanden en de cirkel als het ware rond is.

Nu te zien tot en met 18 oktober 2026, van dinsdag tot zondag telkens van 10u00 tot 17u00.

Alle info via: www.biennalevandeschilderkunst.be

Minpunt: jammer dat deze jubileumeditie een wel bijzonder sober en mager carnet kreeg als bezoekersgids. Maar laat dat de ontdekking van alle fluïde en minder fluïde vormen die schilderkunst kan aannemen niet bederven.

Over de auteur

Verwant

Geef commentaar